Te veel leerlingen in buitengewoon onderwijs: Demir wil van alle scholen ‘inclusieve campusscholen’ maken


Zuhal Demir, onze minister van onderwijs, is op dit moment populairder dan ooit. Echter mag je die populariteit niet zien als een positief gegeven. Hoewel ik niet aan haar goede intenties probeer te twijfelen, maken haar streefdoelen me niet blij. Dit artikel van De Morgen greep me aan vanuit verschillende rollen. Enerzijds de rol als leerkracht in wording, anderzijds vanuit mijn groot hart voor geestelijke gezondheid. Maar ook als moeder van drie kinderen met extra noden, waarvan er twee aangepast onderwijs krijgen. (type 9) 

Mevrouw Demir geeft aan dat extreem veel kinderen les volgen in het buitengewoon onderwijs in België. Deze vaststelling is terecht, te veel leerlingen belanden vandaag in het buitengewoon onderwijs en dat is geen neutrale vaststelling. Het zegt iets over de grenzen van het gewoon onderwijs, over de prestatiedruk én over een samenwerking in expertise met het buitengewoon onderwijs die nog te vaak ontbreekt. 

Tijdens mijn stage in het buitengewoon secundair onderwijs (OV4) mocht ik ervaren wat aangepast onderwijs kan betekenen voor jongeren met extra noden. Geen restonderwijs, geen wachtkamer, maar plekken waar expertise, rust en relatie centraal staan. Leerlingen die elders vastliepen, kwamen hier opnieuw tot leren. Ze kregen tijd, voorspelbaarheid en leerkrachten die hun noden begrepen. Dat verdient erkenning. Deze scholen doen iets wat werkt, net omdat ze mogen afwijken van het tempo en prestatiedenken. Buitengewoon onderwijs wordt nog te vaak aanzien als een b-keuze of een laatste station. Dit beeld ontstaat ook omdat er te weinig over het muurtje wordt gekeken, zowel door het gewoon onderwijs als door de maatschappij. Eigenlijk is er helemaal geen muurtje. Wie deze scholen binnenloopt, zal warm ontvangen worden. 


Tegelijk kunnen we onze ogen niet sluiten voor een andere realiteit. De realiteit van leerlingen met vergelijkbare noden die vandaag in het gewoon onderwijs zitten. Ze zijn er wel, maar vaak zonder voldoende ondersteuning. Ze botsen op stigma’s, op onbegrip, op systemen die weinig ruimte laten voor afwijking. Ze proberen zich staande te houden in klassen waar het tempo (te) hoog ligt en waar uitval snel als persoonlijk falen wordt gelezen. Het gewoon onderwijs is nog te vaak gericht op neurotypische breinen. Als toekomstig leerkracht zie ik nog niet hoe ik in het gewoon onderwijs de ruimte zal vinden om écht te differentiëren. Inclusie is dan geen warm verhaal, maar een dagelijkse worsteling.


Wat me daarnaast enorm zorgen baart, zijn de cijfers rond thuisonderwijs. Steeds meer leerlingen verdwijnen uit het zicht van scholen, niet omdat ze dat willen, maar omdat het systeem hen geen passend antwoord biedt. Ze bezwijken onder de druk van het gewoon onderwijs en vinden geen alternatief dat hen draagt. Dat is geen pleidooi tegen inclusie, maar een waarschuwing. Wanneer ondersteuning uitblijft en verwachtingen onverminderd hoog blijven, worden kwetsbare leerlingen de stille verliezers van goedbedoeld beleid. 

Misschien ligt de kern niet in de vraag hoe gewoon onderwijs en buitengewoon onderwijs op één campus te brengen, maar in hoe flexibel we durven denken over grotere onderwijsstructuren. Sommige leerlingen floreren in inclusieve contexten, anderen hebben nood aan gespecialiseerde omgevingen. Vaak bewegen noden bij jongeren ook doorheen de tijd. Onderwijs zou die beweeglijkheid moeten kunnen volgen. Inclusie betekent dan niet iedereen in hetzelfde lokaal of dezelfde campus plaatsen, maar elk kind ernstig nemen in wat het nodig heeft om mens te worden, niet alleen om te presteren.

Ik hoop dat we dit debat niet reduceren tot cijfers en structuren, maar dat we kunnen blijven luisteren naar verhalen van leerlingen, ouders en scholen. Buitengewoon onderwijs wordt nog te vaak aanzien als een de b-keuze of een laatste station. Dit beeld ontstaat ook omdat er te weinig over het muurtje wordt gekeken, zowel door het gewoon onderwijs als door de maatschappij. De grap is dat er eigenlijk helemaal geen muurtje is. Wie deze scholen binnenloopt, zal warm ontvangen worden. Ook in de lerarenopleiding wordt dit naar mijn mening deze warme samenwerking nog te weinig ingezet. Moet niet elke leerkracht (in wording) weten wat buitengewoon onderwijs inhoudt? En dan bedoel ik echt beleven. 

Er zouden zoveel krachtige verbindingen kunnen zijn tussen deze vormen van onderwijs. Want pas wanneer we de kracht van het buitengewoon onderwijs erkennen én tegelijk investeren in echte ondersteuning binnen het gewoon onderwijs, kunnen we spreken over inclusie die meer is dan een beleidswoord. Inclusie vraagt geen mooie woorden, maar moed, middelen en vertrouwen in professionele zorg. Dat gesprek mogen we, volgens mij, nooit uit de weg gaan.



Geloof jij in de gedeelde campussen die Zuhal Demir in haar toekomstplan ziet? Waarom wel/niet?  

Bron: 

De Morgen. (2025, December 1). Te veel leerlingen in buitengewoon onderwijs: Demir wil van alle scholen ‘inclusieve campusscholen’ maken. De Morgen. https://www.demorgen.be/snelnieuws/te-veel-leerlingen-in-buitengewoon-onderwijs-demir-wil-van-alle-scholen-inclusieve-campusscholen-maken~bb692437/



Reacties